'Mijn moeder is net vermoord'

Ze zat naast me in het vliegtuig en zei: ‘Mijn moeder is vermoord’. Dat verstond ik niet goed. ‘Wat?’ ‘Mijn moeder is net vermoord.’ Ze lachte vrolijk. ‘Hoor ik dat nou goed?’ vroeg ik. ‘Zei jij nou dat je moeder is vermoord?’ Ja, en ze keek me vriendelijk aan. Hoe zie je eruit als je moeder is vermoord? Toch niet zo?

De vlucht duurde nog geen uur. Eigenlijk was het een soort busreis, een praktische oplossing om in de Filipijnen van eiland naar eiland te hoppen. Althans, voor degene die dat kunnen betalen. Anderen nemen een boot en hopen dat die niet zinkt of ze komen eenvoudigweg hun eiland niet af. Ook is er een groep – vrouwen - die voor zich laat betalen. Vanaf mijn plaats bij het raam telde ik grijze hoofden. Dat was mijn tijdverdrijf geworden; grijze koppen tellen van oude(re) blanke mannen met hele jonge mooie meisjes aan hun zijde. Ik telde er op deze vlucht vijftien.

Naast mij kwam ook zo’n meisje te zitten. Zonder grijze man. Een kort beige jurkje ver boven de knie omklemde strak haar bevallige benen. Haar lange zwarte haar bewoog soepel met elke beweging mee en aaide even mijn wang. Gemanicuurde handen met roze gelakte nagels zochten rusteloos in een handtas, die ze onwillig aan de steward moest afstaan toen we gingen opstijgen. Nu lag er alleen nog een smartphone in haar schoot. Terwijl het vliegtuig zich losmaakte van de startbaan, leunde ze half over me heen om naar buiten te kijken waar het inmiddels aardedonker was.

Ze boog weer terug, opende Candy Crush in haar telefoon, legde dat neer en kocht cola en koekjes van het haastig in het gangpad voortgeduwde karretje. Aandachtig, met ingehouden gulzigheid, werkte ze alles naar binnen voordat we alweer bijna gingen landen. En toen vroeg ze me waar ik vandaan kwam. ‘Nederland’, zei ik en ik stelde haar dezelfde vraag. Ze noemde een mij nietszeggend eiland. Ik wilde vragen waar dat was, maar ze was me voor.

Ik zag hoe een stewardess een microfoon pakte, iets zei in het Cebuano en ineens begon te zingen. 

‘Mijn moeder is vermoord’, zei ze. Dat verstond ik niet goed. ‘Wat?’ ‘Mijn moeder is net vermoord.’ Ze lachte vrolijk. ‘Hoor ik dat nou goed?’ vroeg ik. ‘Zei jij dat je moeder is vermoord?’ Ja, knikte ze en ze keek me vriendelijk aan. De mededeling landde ergens in mijn hoofd en wist niet in welke richting het moest zoeken. Het bleef besluiteloos hangen in een alomvattende wolk en werd een ‘oooh’ dat bestierf op mijn lippen. ‘Sorry’, zei ik toen maar. ‘Dat is erg.’ Het was even stil tussen ons.
 

Ik zag hoe een stewardess een microfoon pakte, iets zei in het Cebuano en ineens begon te zingen. Het klonk ijl en exotisch en werd abrupt afgebroken toen ergens links van mij een vinger omhoog ging. De steward liep naar de opgestoken vinger, die een naam door de microfoon schreeuwde, waarop alle passagiers begonnen te klappen. ‘Wanneer is je moeder vermoord?’ vroeg ik. ‘Twee maanden geleden,’ zei ze. Nu begon de steward te zingen, met een aanstellerige hoge stem. Weer gingen vingers omhoog. Mensen applaudisseerden, iemand kreeg een prijs. ‘Hoe is ze vermoord?’ vroeg ik heel normaal alsof we een normaal gesprek voerden. ‘Door haar halfbroer,’ zei ze. ‘Is die opgepakt? Hebben ze de dader?’ Ze haalde haar schouders op, wat zowel een ja als een nee kon betekenen. ‘Het waren er drie. Ze hebben het met z’n drieën gedaan. En nu ben ik helemaal alleen. Ik heb geen broers en geen vader. Nu sta ik er helemaal alleen voor.’

‘Hoe is ze vermoord?’ vroeg ik heel normaal alsof we een normaal gesprek voerden. 

Een aarzeling, een wantrouwen maakte zich in me los. Niks van wat ze zei, paste bij dat ronde gezicht waarin donkere ogen twinkelden, de rood-roze lippen zich gracieus rond de woorden vormden, de kuiltjes in haar wangen, de vriendelijkheid. Hoe zie je eruit als je moeder is vermoord? Toch niet zo? ‘En waar ga je nu dan naar toe?’ vroeg ik. ‘Naar Cebu. Een maand bij mijn tante logeren.’ Dat was gelukkig een correct antwoord. ‘Fijn dat je nog een tante hebt,’ zei ik bemoedigend. Het meisje glimlachte en zei: ‘Mijn tante haat mij.’ ‘Waarom?’ schrok ik. ‘En waarom ga je er dan naar toe?’ Ze kneep haar lippen wat samen en zei toen: ‘Ze haat mij omdat ik de partij van mijn moeder koos.’

‘Nou, dat lijkt me logisch’, maar terwijl ik het zei leek niks mij logisch. ‘Weet je tante wel dat je komt?’ vroeg ik. Het vliegtuig zette de landing in. De gangpadlichten gingen uit. Er viel een schaduw over het ronde maangezicht van het meisje. ‘Nee’, zei ze. ‘Dan zal je tante wel verrast zijn’. ‘Ja’. Ze haalde lachend haar schouders op. ‘Ik heb haar adres, dus moet ik maar een taxi nemen. Maar misschien is het maar beter naar een hotel te gaan, want het is al laat.’

Aha, nu ging ze me vragen of ik een hotel voor haar wilde betalen, of dat ze met mij mee mocht naar een hotel. Maar ze pakte haar smartphone en liet me een foto zien, waar ze in smetteloos kokskostuum op stond. Naast haar stond een frêle blank meisje. ‘Ik ben kok’, zei ze. ‘Ik kook Frans. En dat is mijn vriendin. Ze was ook op de begrafenis van mijn moeder. Wil jij met mij op de foto?’ ‘Nee’, zei ik heel spontaan. ‘Waarom niet?’ vroeg ze. ‘Omdat we elkaar niet kennen. Ik weet niet eens hoe je heet.’ Teleurgesteld deed ze er het zwijgen toe. Het vliegtuig was geland. Ik wilde haar nog sterkte wensen, maar ze keerde haar rug naar me toe.

Ik zag haar pas weer toen ik al een tijd bij de bagageband stond te wachten. Daar liep ze, in haar beige nauwsluitende jurkje, haar hakken ketsten op de stenen vloer. Ze trok een hard lichtblauw koffertje achter zich aan en ging rechtstreeks naar de informatiebalie. Een man liet haar een kaart zien. Ze liep weer weg met een briefje in haar hand, dat ze liet zien aan een taxichauffeur. Ik zag haar lachen. De man pakte haar koffertje en achter hem aan liep ze het vliegveld af. 

« Hotel in Afrika 3: Mount Moroto en de Amerikanen Sprakeloos opgaan in de massa »