Met schaamrood op de kaken naar de kledingcontainer

Niets confronteert me zo met mijn totaal onverantwoordelijke consumentengedrag als mijn ‘oude’ kleren. Meestal doe ik alsof ze er niet zijn, totdat ze uit eigen beweging mijn kasten uitkruipen en zich beschuldigend aan mij opdringen. Dan moet ik wel uitmesten.   

Dure kleren koop ik niet, daar heb ik geen geld voor. Ik koop goedkope kleren en wel in zulke hoeveelheden dat ik op hetzelfde bedrag uitkom als ik (minder) dure kleren zou kopen. De aangeschafte stukken draag ik hooguit twee jaar, of één, of helemaal niet. Want tot mijn schaamte moet ik bekennen dat ik niet alleen kleding koop die ongetwijfeld is gemaakt door geëxploiteerde Aziatische kinderhandjes, maar dat er ook kleren tussen zitten die ik nooit draag. Drie vuilniszakken vol dit jaar. Gebruikt en ongebruikt. En dan tel ik het schoeisel niet mee.

Voddenbaal

Om mijn spilzucht te compenseren, neem ik me elk jaar voor om de handel op Koningsdag te verpatsen of, als ik daar dan te lui voor ben, de voddenbaal netjes te strijken en naar een tweedehandskledingwinkel te brengen. Waar ik dus ook te lui voor ben. Sommige kleren, ongebruikt of na een jaar versleten, laat ik expres een paar jaar in de kast hangen om de illusie in stand te houden dat ik heus niet onverantwoordelijk en lui ben. Totdat ik met het schaamrood op mijn kaken die vuilniszakken moet gaan vullen.

Unox schaatsmuts

De kledingbank is te ver fietsen. De kledingcontainer dan. Het enige wat ik daarvan weet, is dat je nooit weet waar je kleding terecht komt. Worden ze nou verkocht of gedoneerd aan Afrika? Wie ooit een markt in een willekeurig Afrikaans land heeft bezocht, weet dat onze kleren daar bepaald niet gratis worden uitgedeeld, of het moet een Unox schaatsmuts of Kerstpak zijn waar je sommige Afrikanen het hele jaar door in ziet lopen, maar ook dat betwijfel ik. Onze afdankertjes die in bulk in containerschepen worden aangevoerd, is big business, een miljoenenhandel, die veel mensen van werk en van kleren voorziet. Voor zover er sprake kan zijn van een Afrikaanse textielindustrie, is die al lang om zeep geholpen.

Naaisters

Het verbaast me dan ook een beetje dat de Stichting Sympany, eigenaar van ‘mijn’ kledingcontainer, een sympathieke actie voert in vier Afrikaanse landen. Ze verkoopt kleding aan Afrikaanse partnerorganisaties die de handel doorverkopen aan lokale winkels. In de derde week dat de kleding daar hangt, start de uitverkoop die in de vierde week oploopt tot wel zestig procent zodat de allerarmsten het ook kunnen kopen. Nogal omslachtig. Waarom de meuk niet meteen op de markt gooien, zoals dat in de regel overal gebeurt in Afrika, op bijvoorbeeld de enorme Owino markt in het Oegandese Kampala waar iedereen, rijk en arm, zijn kleren koopt en ik ooit een broek kocht die me akelig bekend voorkwam. Maar goed. Sympany investeert met de opbrengst van de verkoop in –je raadt het nooit- vakopleidingen voor naaisters in Afrika. Opdat onze afdankertjes aan een derde leven mogen beginnen!

Geld

Wat ik vooral lees op de website van Sympany is dat er geld wordt verdiend. In haar missie staat ‘dat ze niets zo maar weg geeft, omdat is gebleken dat dit alleen maar tijdelijke effecten genereert.’ Mijn kleding, gesorteerd door mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt, wordt ‘bruikbaar’ verkocht in Afrika, Oost Europa en Nederland en ‘niet bruikbaar’ gerecycled tot poetslappen, isolatiemateriaal en –nieuw en hip- tot garens waarmee modeontwerpers lekker duurzaam doen. Met de verkoopopbrengsten steunt Sympany goede doelen. Maar haar eigen broek ophouden lukt de stichting blijkbaar niet. Daarom heeft ze van de goede doelen ook fondsen nodig. Van de Postcodeloterij bijvoorbeeld die dit jaar zes ton doneerde voor twee nieuwe sorteercentra. Alsof er geld in plaats van kleding wordt gerecycled.Wie er echt beter van worden, lees ik in het jaarrapport, zijn de gemeenten. Die strepen bezuinigingen weg tegen hoge inzamelvergoedingen die ze de laatste jaren van Sympany vragen.

Ondoorzichtig

Het blijft allemaal een beetje ondoorzichtig. Ik weet niet waar en wat er aan de strijkstok blijft hangen, maar iets moet ik toch goed doen, bedenk ik als ik de laatste opgebolde overvolle vuilniszak in het luik van de kledingcontainer probeer te wurmen. En dan hoor ik een stem achter me. Ik draai me om en kijk in de ietwat holle ogen van een man van waarschijnlijk Oost Europese afkomst. “Mag ik een kijkje nemen voordat u hem erin gooit?” vraagt hij. Voor zover er al sprake van een strijkstok is, lijkt me de kans klein dat daar iets aan blijft hangen. En is dat wel het geval, dan is dat van harte gegund. Maar ik schrik zo van hem –en van het beeld van mijn over het Heinekenplein uitgerolde kledingkast - dat ik mezelf  “No way!” hoor roepen. De man verexcuseert zich beleefd.

Volgende keer toch echt naar de kledingbank.  

Deze column verscheen in de Volkskrant op 5 juli 2015 i.h.k van gastcolumnist voor de maand juli

 

« Reisadviezen van BuZa zijn de ergste Als de Chibok meisjes echt onze dochters waren »