Hotel in Afrika 3: Mount Moroto en de Amerikanen

Wat het Amerikaanse leger in een hotel in het desolate noordoosten van Oeganda deed, was een raadsel. Ze wilden het me niet vertellen. Wel namen ze het hele hotel over. Tot ze op een dag vertrokken. Toen veranderde Hotel Mount Moroto in een helse variant van Fawlty Towers. Deel 3 van Hotel in Afrika. 

Behalve de hulpindustrie (Hotel in Afrika 2) en de Oegandese minister van Landbouw (Hotel in Afrika 1) deed ook het Amerikaanse leger het onherbergzame woestijngebied Karamoja van noordoost Oeganda aan. Een kleine eenheid van zo’n tien man, resideerde tussen de rotsen aan de voet van de berg Moroto in Hotel Mount Moroto. Van origine was dit een staatshotel, eind jaren zestig gebouwd door dictator Milton Obote, die naast het afslachten van zo’n half miljoen burgers, iets goeds voor het toerisme wilde doen en hotels bouwde tot in elke uithoek van het land.

Het laagbouw hotel was een typisch exponent van zijn ijver, hoewel na al die decennia ernstig in verval geraakt. De huidige uitbater had er nog iets van proberen te maken. Met de warme knaloranje muren, een halfoverdekte patio, aangeharkte tuintjes en meubilair vervaardigd uit koeienhoorns, had het iets gemoedelijks. Althans van de buitenkant.

Onsmakelijk

Binnen waren de muren tussen de kamers zo flinterdun dat je tot in twee kamers verderop alles van de andere gasten hoorde dat je niet wilde horen. De meeste stopcontacten waren kapot, in de klamboes zaten vuistgrote gaten. Uit de douches zou warm water moeten komen, maar meestal kwam er helemaal geen water uit. Maar het ergste was de matras waar ik op sliep. Die behoorde toe aan de eigenaar van het hotel. Ik sliep in zijn kamer, omdat de rest bezet was door Amerikanen en nog een paar verdwaalde gasten.

Toen ik hem later ontmoette, bedacht ik dat hij op verlof gestuurd moest zijn door de Amerikanen. De aan obesitas leidende Oegandees was namelijk een onsmakelijke vertoning. Hij liep de hele dag in een gestreepte pyjama rond en had een nogal in het oog springend gebit vol grote gele tanden die met slijmerige draden aan elkaar leken te hangen.

Maar ik sliep de slaap der onwetenden, wegzinkend in die kuil als een krater van zijn matras, waar het stonk, mijn god, wat stonk het daar.  

Van Damme

Het Amerikaanse leger had het hotel bezet. Zo kun je dat gerust noemen. Maar het waarom daarvan was een raadsel. ‘Wij helpen de Oegandesen hier’, zei de legercommandant, een grote man met vierkante kaken en een kort geschoren blond grasveld op zijn hoofd. ‘Maar wat doen jullie dan?’, vroeg ik nog eens. Hij stak zijn vierkante kin arrogant naar voren. ‘Dat zeg ik toch. Wij zijn hier om te helpen.’

Daarop draaide hij zijn rug naar me toe en schepte nog eens op uit het buffet waar we langsliepen. Ik hield wijselijk mijn mond. Het waren grote mannen, die Amerikanen, en aan ze ontsnappen was onmogelijk. Als je ze niet zag, dan hoorde je ze wel. Het geschreeuw begon al aan het ontbijt wanneer ze landkaarten tussen de omelet en koffie uitspreidden en eindigde in de avond in tot de kantine omgebouwde kamers waar ze bier dronken en keken naar actiefilms met Van Damme.

Echte koffie

Maar afgezien van genoemde ongemakken was het goed toeven in Hotel Mount Moroto. Eenmaal buiten mijn kamer, had ik het gevoel in het Hilton te zitten. De generator was dag en nacht aan en er was dus altijd stroom. En er was een kokkin, Sophie heette ze, die zorgde voor een lopend buffet. Ze trok een smetteloos wit kokskostuum aan met koksmuts, roerbakte spaghetti op een professionele roerbak plaat en maakte rijst, aardappelen, bonen, erwten, zacht gestoofde kip in kerriesaus, koolsalade, meloen… het kon allemaal niet op. Ook was er koffie, echte koffie! Een unicum in het land van Nescafé. Totdat opeens op een ochtend het Amerikaanse leger vertrok. ‘Wisseling van manschappen’, zei de vierkante kin, die me nog steeds niet wilde vertellen wat ze uitspookten. ‘Over tien dagen zijn we weer terug.’

Smoezelig schort

Vanaf dat moment veranderde Hotel Mount Moroto in een helse versie van Fawlty Towers. De generator ging uit, althans overdag. Dat was een zegen, want waren de Amerikanen luidruchtig, het was niet te vergelijken met de terreur die uit de geluidsinstallatie kwam als de generator ’s nachts aan ging, en het navenant gekrijs van het personeel om daar bovenuit te komen. Het feest duurde tot in de ochtend, waarna je het personeel als een troep zombies door de hotelgangen zag sluipen, als de dood om opgemerkt te worden door mij, de enige gast nog.

Ik ging op zoek naar het management, dat uit twee struise, rondborstige dames bleek te bestaan die zich verstopten in een primitieve keuken achter het hotel waar ze zaten te eten en te roddelen. Heel soms lieten ze zich zien, om kokkin Sophie - die nu een smoezelig schort droeg - te manen taaie kip en koude slappe patat voor mij te maken en vooral ook om barman Kasper en zijn neef ober Jasper uit te schelden omdat ze lethargisch op de bank hingen. 

Naar de kerk

‘Ik zou graag ontbijt willen hebben’, begon ik de Amerikaloze zondagochtend. Jasper keek vanuit zijn stoel paniekerig om zich heen. ‘Als je nu eens begint met koffie maken, gewoon Nescafé’, moedigde ik aan. Moeizaam verhief hij zich van de stoel waarop hij leek vastgeplakt. ‘Okay…okay’. Hij slofte weg en kwam na een half uur terug met niet meer dan een blikje oploskoffie. ‘Ik wil ook omelet’, zei ik, terwijl ik tevergeefs zocht naar een kopje en heet water. ‘Dat kan niet,’ zei Jasper bijna plechtig. ‘Ze zijn allemaal naar de kerk.’ ‘Naar de kerk? Ik dacht dat dit een hotel is. En ik ben een klant.’ Nuffig keek Jasper me aan. ‘Dat is niet mijn probleem’.

Zondagsklanten

Kasper zat achter de receptie. Daar was hij totaal ongeschikt voor, want hij sprak geen woord over de grens van Karamoja. Daarom gromde hij iets onverstaanbaars tegen een paar zondagsklanten die op eigen kracht de receptie passeerden en zich uitgebreid op de binnenplaats van het gerenommeerde hotel installeerden.

‘Niks te drinken’, merkte het hoofd van het gezelschap, een lijvige man in een donker pak, na meer dan een half uur op. ‘Ik wil de manager spreken’. Jasper maakte wat draaiende bewegingen. ‘Ik wil de manager nu spreken’, drong de man nog eens aan. Jasper zei niets, bleef besluiteloos staan. De man stond op. Het was even alsof hij ging slaan, maar het was slechts een machteloos zwaaiende beweging die hij maakte. Geschrokken begaf Jasper zich in de richting van waar het management zich moest bevinden, om zich halverwege om te draaien en achter de planten langs, muisstil, naar de bar terug te sluipen. 

De Amerikanen kwamen terug. Evenals de eigenaar, zodat ik godzijdank naar een andere kamer mocht. Het was zoiets als wat de bevrijding na de oorlog moest zijn: 24 uur stroom, echte koffie uit een koffiezetapparaat, fruit, toast, omelet zoveel je wilde en ook het buffet werd in ere hersteld. Happy days were there again. 

« SheNews: Praten met roofvogels 'Mijn moeder is net vermoord' »